– 1 Petrus 2: 4-10: ‘De grote waarde van Christus en de gemeente’  

Stenen zijn en waren er in het Oosten in overvloed. Elk bergdorp in die tijd kende zijn steenhouwers. Ze hakten sluitstenen, kopstenen, dekstenen, zegelstenen en de gewone steen voor de bouw.
De hoekstenen waren de belangrijkste stenen aan de uiteinden van de muren, die heel het huis ondersteunden.
Daarvoor werden de beste stenen uitgezocht. Van deze stenen hing immers de stevigheid en hechtheid van het hele huis af. Deze stenen waren duidelijk zichtbaar, mooi versierd en kostbaar.

Petrus schildert in het 2e hoofdstuk van zijn brief de christelijke gemeente als een huis.
Hij omschrijft Jezus als ‘levende Steen’ en ‘Hoeksteen’ van de gemeente. Hij stut en draagt de kerk. En alle gelovigen worden als ‘levende stenen’ door God ingevoegd in Zijn huis, de gemeente.
Daartoe nodigt Petrus zijn lezers dan ook uit: kom tot Hem (vers 4) en wordt zelf ook een levende steen (vers 5).
Om de gemeente te bouwen, om net als de priesters in de tempel, God te eren en je naaste te dienen.

Vragen om je alvast voor te bereiden:

  1. Welke lijnen zie je vanuit de verzen 4-10 lopen naar het Heilig Avondmaal?
  2. Hoe kan de Hoeksteen Christus voor de één een bouwsteen zijn en voor de ander een steen waarover je struikelt (vers 7)?
  3. Durf je de vier eretitels in vers 9 op jezelf en onze gemeente toe te passen?