Meditatie

“Als nu van Christus gepredikt wordt dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe kunnen sommigen onder u dan zeggen dat er geen opstanding van de doden is? En als er geen opstanding van de doden is, dan is Christus ook niet opgewekt.”

1 Korinthe 15:12 en 13

Paulus keert Zich tegen hen de waarheid van de opstanding ontkennen. Hij probeert de Korinthiërs door en door van deze waarheid te overtuigen en te doordringen. Dan laat hij hen de krachteloze argumenten zien van hen die de opstanding ontkennen. Hij zegt: “Als nu van Christus gepredikt wordt dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe kunnen sommigen onder u dan zeggen dat er geen opstanding van de doden is?” Daarvoor had de apostel verkondigd en met krachtige bewijzen aangetoond dat Christus uit de doden was opgestaan. Aan dit feit knoopt hij nu de zekerheid van onze opstanding met een onlosmakelijke band vast. Zo toont hij aan hoe dwaas het is om dit tegen te spreken.

Hij gebruikt het woord “als.” Niet omdat hij aan de opstanding twijfelde, maar omdat hij die al bewezen had. We moeten het zo lezen: “Als Christus is opgestaan, en dat is zo, dan moet er ook een opstanding van de doden zijn.”

Op deze manier ging de apostel om met twistvragen. Het belangrijkste staat voor Hem vast: “Christus is opgestaan.” Niemand kan die opstanding loochenen en daarom moeten ook de mensen opstaan, want Christus heeft de natuur van de mensen aangenomen.

Christus is de Borg die staat voor heel Zijn volk. Hij heeft alles volbracht wat vereist werd tot hun rechtvaardigmaking. Hij verzoende hen met God en nam de verdiende straf weg. Alles wat Hij heeft ondergaan geldt nu voor hen van wie Hij de Borg was.

Is Christus opgewekt om Zijn volk alleen in dit leven voor God te rechtvaardigen? Niemand zal dit zeggen. Christus is opgewekt om zondaren niet voor een korte tijd, maar voor eeuwig van de verdiende straffen te bevrijden en in Gods gunst, waaruit zij gevallen waren, eeuwig te herstellen. Na het sterven volgt de opstanding, om meteen na de dood in de hemel en straks op de jongste dag eeuwig op de nieuwe aarde, de vruchten van Christus’ borgtocht en onze rechtvaardigmaking te genieten.

Onze opstanding volgt uit Christus opstanding. Daardoor wordt het onverbrekelijke genadeverbond tussen ons en God verzegeld. De Heere beloofde immers in dat verbond dat Hij in Christus onze God, dat is onze Verbondsgod wilde zijn.

Wij moeten dus uit de doden opstaan omdat God geen God van doden, maar van levenden is.

Uit: “Bijbelsche en Oudheidtkundige Keurstoffen” door Gerardus Outhof (1673-1737), predikant te Kampen.
J.A.J. Pater