– 1 Kronieken 29:10- 21 - ‘Alles is van U en alles geef ik U!’
In het voorjaar bidden we voor gewas en arbeid, in het najaar danken we God ervoor. Door te bidden en te danken brengen we tot uitdrukking dat wij ons afhankelijk weten van de zegen van God. Dat ontnuchtert en relativeert ons eigen werk en prestatie.
Opnieuw hebben we een turbulent jaar achter ons liggen en we weten niet wat er nog gaat komen. Als we denken aan de situatie in het Midden-Oosten, Oekraïne en Afrika, de milieucrisis, de woningcrisis, de asielcrisis in ons land…
Nu kunnen die crises ons leren bidden, maar zouden die crises ons ook kunnen leren danken? Voor de overvloed en de zegeningen die we onverdiend van God hebben ontvangen?
Daaraan denkend, kwam ik uit bij 1 Kronieken 29 waar koning David voorbereidingen treft voor de tempelbouw die Salomo ter hand zal nemen. Hij roept de Israëlieten op om vrijwillig hun gaven af te staan voor de bouw van de tempel. De respons is werkelijk overweldigend. Met vreugde en met heel hun hart brengt het volk een grote hoeveelheid goud, zilver, koper en edelstenen bij elkaar. Als David dat ziet, brengt hem dat tot gebed. Hij zegt: ‘Alles is van U afkomstig en wat wij U schenken komt uit Uw hand’. David dankt en looft God en erkent dat alles van God komt. Danken is voor David niet anders dan teruggeven aan God wat je van Hem kreeg: je werk, je studie, je gaven, je tijd, je geld.
Vragen om je alvast voor te bereiden:
- 1 Kronieken 29 is ook wel genoemd: ‘Davids dankdag’. Je kunt in dit gedeelte drie lijnen onderscheiden die Davids gebed kenmerken. Ga eens na welke precies.
- Lees vers 13-16. Kun je dit nazeggen? Wat spreekt je aan en wat vind je moeilijk?
- Waarvoor zou jij op deze dankdag vooral willen danken?



