– 1 Korinthe 15: 12-20 - Thema: ‘Ik moet er niet aan denken…’
Stel dat het toch eens allemaal niet waar was. Ja, wat?
Nou ons geloof in God, ons geloof in de opgestane Heere Jezus Christus.
Je moet er toch niet aan denken. Houd dan maar op nog in de Bijbel te lezen of naar de kerk te gaan. Want wie de opwekking van Christus uit de prediking en het geloof wegsnijdt, snijdt het hart uit het evangelie.
Ik moet er niet aan denken. Paulus wel, want hij liep in de gemeente van Korinthe, bij sommigen althans, tegen de harde steen van het ongeloof in de opstanding van het lichaam op. Zij beweren dat wie tot geloof in Jezus is gekomen, eigenlijk al uit de dood is opgestaan. Het geloof in Jezus Christus is een geestelijke opstanding, zo zei men.
Dat had ermee te maken dat de Korintiërs Grieken waren. En Grieken hebben altijd moeite gehad met het lichamelijke, het stoffelijke.
Het ging hen om de onsterfelijke ziel die in het lichaam opgesloten zit. Zoals een vogeltje opgesloten is in zijn kooi, zo zit ook de ziel gevangen in het lichaam.
En daarom was de dood niet een kwaad, maar een bevrijding van een kwaad: de ziel werd eindelijk bevrijd van het lichaam. De ziel zou na de dood wel voortleven bij God, maar eindelijk verlost uit de gevangenis van het lichaam.
Maar Paulus concentreert alles op de lichamelijke opstanding van de doden. Daarmee staat of valt de zaak. En zo is het nog steeds. Want ook vandaag wordt aan die opstanding getwijfeld, zowel binnen als buiten de kerk.
Vragen:
- Waarom is het geloof dat Jezus met Pasen Zijn graf heeft leeg gelaten, zo belangrijk?
- Wat betekent het dat Hij ‘de Eersteling van hen die zijn ontslapen’ wordt genoemd (vers 20)?
- Op welke plaatsen in het Oude Testament is Jezus’ sterven en opstanding voorzegt?



