– Psalm 116 en Mattheüs  26:30 – Thema: Psalmen zingen in de nacht

Misschien heb je het zelf ook wel eens meegemaakt. Je zat diep in de put, vanwege bepaalde dingen die je in je leven meemaakte. En toen kwam je ’s zondags in de kerk, vol van al die ervaringen die je met je meedroeg. Vol van vragen die je volledig in beslag namen. En misschien ging de hele dienst wel langs je heen. Tot je die ene lofpsalm zong.
Door die psalm werd je er opeens even helemaal bovenuit getild. Vanuit de diepte van je nood kwam je tot de aanbidding van God: en toch is God goed, Hij is mijn God, Mijn Redder, Halleluja.

Wel, zo zingt de Heere Jezus terwijl Hij de dood tegemoet gaat. Aan het einde van het laatste Pascha, dat tegelijk het eerste Avondmaal is. Tijdens deze maaltijd werd er op twee momenten gezongen uit het boek van de Psalmen. Mattheüs  noemt dat ‘de lofzang’. Dat is het groot Hallel, de Psalmen 113-118. Je herkent daarin het woord ‘Hallelujah’: loof de HEERE. Want al deze psalmen beginnen of eindigen met ‘Hallelujah’.
Bijzonder, dat Jezus Gods lof zingt in zo’n situatie. Als je weet dat je straks verraden wordt, als je weet dat je straks moet gaan strijden, lijden en sterven. Hoe kan dat?

Vragen die verder bovenkomen:

  1. Waarom zingen wij in de kerk Psalmen? Noem een aantal redenen.
  2. Lees de Psalmen 113-118 een voor een door. Kijk bij elke psalm welke verzen verbonden kunnen worden met het lijden, het sterven en de opstanding van Jezus Christus.
  3. Lees Psalm 116 nog een keer met het oog op jezelf en het komende avondmaal. Wat valt je op, wat vind je mooi en wat vind je moeilijk?