– Themadienst: ‘Geloven: zeker weten?!’
(Deel 6 uit de serie ‘Houvast vinden’)
Naar ons idee is dat vaak een tegenstelling: geloven staat tegenover zeker weten.
Als bijv. iemand mij vraagt: ‘weet u ook of in deze straat de familie Jansen woont?’ en ik antwoord: ‘ik geloof het wel’, dan bedoel ik te zeggen dat het waarschijnlijk wel zo is, maar dat ik het niet zeker weet.
Geloven heeft in dit verband de betekenis van niet-zeker-weten, vermoeden.
Geloven heeft dus in ons gewone spraakgebruik niet zo’n positieve betekenis. En bij geloven in godsdienstige betekenis hebben veel mensen een vaag gevoel ‘dat er wel iets zal zijn’.
Misschien zit je er daarom wel mee: Hoe weet ik nu dat ik echt geloof en dat ik mezelf niet iets inbeeld dat er niet is?
Antwoord 21 van de catechismus kan daarom veel vragen opleveren. Dat antwoord zegt namelijk dat een oprecht geloof een zeker weten is en een vast vertrouwen.
Op verschillende plaatsen maakt de bijbel ons namelijk duidelijk dat geloof en zekerheid bij elkaar horen.
Ik denk aan Hebr.11: ‘het geloof is de zekerheid van de dingen die men hoopt en een bewijs van de zaken die men niet ziet’.
Het echte geloof in God heeft dus alles te maken met het zeker weten van dingen over God.
Met het zeker weten dat Jezus Christus ook voor ons is gestorven en opgestaan.
Maar hoe kan het dan dat wij zo vaak onzeker zijn over ons geloof?
Zie daar de belangrijke vragen die ons zondagmiddag bezighouden!
Lees ter voorbereiding alvast Genesis 15:1-6, Hebreeën 11:1-2/8-12 en zondag 7a uit de Heidelbergse Catechismus door aan de hand van de volgende vragen:
- Wat is het verschil tussen het christelijk geloof en alle andere vormen van geloof?
- Oprecht geloof geeft ons houvast en zekerheid. Hoe komt het dat veel mensen die zekerheid missen?
- Waarom zouden mensen eraan twijfelen dat Jezus ook voor hen stierf?



